De achterkant van de taal | Herman Verweij

Vrienden zetten hem er toe aan om wat meer te gaan doen met kleine schilderijtjes die ze bij hem op het toilet zagen hangen. Het lezen en schrijven van poëzie leek hem een betere keuze, realiseerde hij zich. Om schade te repareren, Brel te waarderen en later de daad bij het woord te voegen tijdens lange voettochten.

Het glas is immers altijd halfvol, zo benadrukt Herman Verweij. Sterker nog; hij zit in een heel productieve periode. ‘Ik raak snel geïnspireerd’ zegt hij. ‘Onlangs kwamen de woorden als vanzelf, bij een pianoconcert ter begeleiding van een lichtshow op een fabrieksschoorsteen’. In één adem noemt hij ook een prachtig beeld in een expositie van een bevriend kunstenaar, waar hij een gedicht over schreef. In de tijd dat hij de Kweekschool bezocht kwam de inspiratie van een docent die prachtig kon vertellen over literatuur en ondersteboven was van een opkomende ster: Jan Wolkers. Het besef hoe prachtig poëzie kan zijn kwam uiteindelijk door een door Ernst van Altena vertaald chanson van Jacques Brel: Mijn vlakke land.

Liefde voor taal

Eenmaal zelf docent probeerde hij zijn liefde voor taal over te brengen op zijn leerlingen. Aan het begin van de dag las hij een verhaaltje of een gedicht van bijvoorbeeld Annie M.G. Schmidt voor aan zijn leerlingen. Hij maakte hen vertrouwd met wat hij zelf treffend ’de achterkant van de taal’ noemt. ‘Met taal kun je zo veel meer doen als op het eerste gezicht lijkt. Je kunt er mee spelen, het prikkelt de fantasie, je kunt er een nieuwe wereld mee scheppen.’

Later, als stadsdichter van Venlo, stapte hij opnieuw de school binnen. Samen met de leerlingen ging hij ‘gedichten ontrafelen’. Er werden mooie woorden verzameld en in een doosje achter in de klas gestopt. Aan het einde van de week gingen ze met de opbrengst aan de slag. Dan werden er fraai vormgegeven werkjes van gemaakt of nieuwe stukjes tekst. Weer later, tussen 2013 en 2019, verzorgde hij het ‘gedicht van de maand’, voor basisscholen. Vaak eigenhandig geïllustreerd en met handreikingen voor docenten om er ook daadwerkelijk iets mee te kunnen gaan doen. ‘Het was vooral om aandacht te vragen voor het inzetten van gedichten in het basisonderwijs’ zegt hij. Herman ziet met al die aandacht voor begrijpend lezen als voorbereiding van een goede score voor de Cito-toets het plezier voor lezen verdwijnen. Hij overweegt het initiatief nieuw leven in te blazen door ook aankomende leerkrachten de waarde van poëzie te laten ervaren. Hij kijkt rond waar nog meer kansen liggen. Gelukkig zijn er tegenwoordig veel prachtig geïllustreerde dichtbundels, die in de bibliotheek van elke basisschool niet mogen ontbreken.

Indrukwekkend is de inspiratie die hij haalde uit brieven van zijn vader en zijn moeder. De eerste werd in 1943 te werk gesteld in een bruinkoolfabriek in toenmalig Oost-Duitsland, terwijl zijn vrouw hoogzwanger was. In een van de brieven beschreef zijn vader een dagtocht die hij daar met een maat te voet had afgelegd. Jaren later ondernam Herman dezelfde tocht, nadat hij wandelend vanuit Venlo naar de plek is gegaan waar de bruinkoolfabriek heeft gestaan. Onderweg moest hij denken aan de tocht die menig vluchteling anno nu heeft moeten doorstaan. Zijn bevindingen openbaarde hij in de bundel ‘Zolderbrieven’.

Voor de uitgave van jaarboek Buun wandelde Verweij door de zes dorpskernen van onze gemeente. Hij belooft zes nieuwe, treffende gedichten. Benieuwd welke kant van de taal daar voor het voetlicht zal worden gebracht.

Herman Verweij